De mensen hebben zorgen / het brood is duur, / het lichaam zwaar / en wij verslijten aan elkaar. Tussen deze regelsuit het lied ‘Een mens te zijn op aarde’ van Huub Oosterhuis en het advies Nada te turbe (‘laat niets je verontrusten’) van Teresa van Avila zit een wereld van zorgen. De mens is van nature zorgzaam ingesteld. Dat komt goed uit, want er is genoeg om zorg voor te dragen. Er is zorg om het bestaan, voor het dagelijks brood, er is zorg voor elkander en zorg voor de wereld. Tegelijkertijd heeft de mens een neiging tot zorgelijkheid, waardoor het leven soms zwaarder is dan nodig. Misschien is het om tegenwicht te bieden aan de moeizame kanten van deze menselijke geaardheid en om te laten zien dat een teveel aan zorgen tot wanhoop kan leiden, dat de Schrift in haar volle breedte een tegengeluid laat horen. ‘Werp uw zorgzwaarte op de Eeuwige, Hij zal u dragen’ (Psalm 55,23) en ‘Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank hem in al uw gebeden’ (Filippenzen 4,6).
Feitelijk is de bijbel niet zo scheutig met het werkwoord ‘zorgen’. De zorg is geen afzonderlijk thema, althans niet expliciet. Ondertussen gaat het inhoudelijk over niets anders. De Torah is gericht op zorg, op het helen van een wereld die gebroken is. Dit is een levensgrote opdracht die concreet tot uiting komt in zorg voor de vreemdeling, de naaste, zorg voor het land, zorg voor een passende indeling van de tijd en voor een gepaste plaats waar God kan wonen. Alle voorschriften, wetten, verordeningen, regels en bepalingen in de eerste vijf boeken van de bijbel zijn evenzovele aansporingen om zorg te verlenen, om elkaar te behoeden en de wereld te bewaren. De eerste vragen die God aan de mensen stelt zijn: Waar ben je? Wat heb je gedaan? (Genesis 3,9.13) en even later: Waar is je broer? Wat heb je gedaan? (Genesis 4,9-10). Van meet af aan wordt de mens individueel verantwoordelijk gehouden voor zichzelf en voor de ander. De kern van de boodschap van alle profeten is de zorg om gerechtigheid – met name ten aanzien van de zwakken, de armen, de weduwen en de wezen – en om een zuivere eredienst. De profeet spreekt namens God: ‘Is dit niet het vasten dat ik verkies: misdadige ketenen losmaken, de banden van het juk ontbinden, de verdrukten bevrijden, en ieder juk breken? Is het niet: je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om je medemensen?’ (Jesaja 58,6-7). En: ‘Barmhartigheid wil ik en geen offers’ (Hosea 6,6).
Redactie, 'Zorgen'
Naar Boven
De meest welsprekende manier waarop het eigen mens-zijn in de kampen hooggehouden werd, was misschien wel de zorg voor anderen. Daarmee handelt iemand immers lijnrecht tegen het kampsysteem in, dat er juist vanuit ging dat iedereen altijd zijn eigen belang op de eerste plaats zet. De filosoof Tzvetan Todorov slaat deze zorg in de hiërarchie van morele daden het hoogste aan. Hij verzet zich tegen de gangbare zienswijze die alleen oog heeft voor het uitzonderlijke, het heroïsche, en stelt daar – met een knipoog naar Hannah Arendt – de banaliteit van het goede tegenover. In de zorg voor anderen, het delen van voedsel, de ondersteuning als iemand zelf niet meer op zijn voeten kon staan, het overnemen van een taak als de ander te zwak was om die uit te voeren, de verzorging van ziekten, hoe besmettelijk hun aandoening ook was, juist daarin lieten gevangenen zien dat het kamp hen er niet onder had gekregen, daarmee verhieven ze zich boven het systeem. Daartoe in staat te zijn, het was misschien uitzonderlijk, maar het kwam voor. Abel Herzberg schrijft in zijn dagboek uit Bergen-Belsen over de verwording en het heersende egoïsme, en hij concludeert dan:
Erst komt das Fressen und dann kommt die Moral. En toch… Toch heb ik mensen gezien die anders stonden tegenover hun medemensen, ze zochten naar mededeelzaamheid in de letterlijke betekenis van het woord. Als ik aan ze denk, dan zie ik ze als hoog oprijzende tussen de bruin-grauwige troep van de massa, al waren ze in de regel de teruggetrokkenen, de niet-opvallenden, en behoorden ze tot de eenvoudige werkers en sjouwers. (Herzberg, p. 15)
Elders in zijn dagboek geeft Herzberg kleine miniatuurtjes van zulke ‘hoog oprijzende’ mensen. Met de repeterende beginzin ‘Hommage à vous (of toi)’ spreekt hij ze toe: een kleine grootmoeder met een lief gezicht die de zieken verzorgt en de stervenden troost, een kleine jongen die voor zijn eenzame zusje zorgt en een stukje lekkers met haar deelt, de moeder die haar kind schoon en gezond probeert te houden. En nog weer later, te midden van de uiterlijke en innerlijke lelijkheid die hem omringt:
Toch zie je een enkele man een ander helpen, een dokter, die een verband legt, een vrouw die voor een zieke kookt, een ander die haar was verzorgt, in stilte een warme mantel schenkt, een moeder, die een of meer vondelingen aangenomen heeft en voor hen met de moed, die de natuur hare schepsels soms geeft, de volle verantwoordelijkheid draagt. (Herzberg, p.118)
Bettine Siertsema, ‘Zorgen als ultiem verzet tegen ontmenselijking’
Naar Boven
Bijna dertien jaar zorgden mijn kinderen, kleinkinderen en ik voor mijn dementerende vrouw Grietje. We ervoeren het als een zware en vrolijke, moeilijke en gelukkige tijd. Hoe het ging en wat het voor de relatie tussen mijn vrouw en mij, haar mantelzorger, betekende? Ik vraag het me hieronder in een interview met mezelf af.
Had je enige ervaring in het verzorgen van een dementerende partner?
Natuurlijk niet. Toen mijn kordate, vieve, spontane, eigenwijze, maar ook lieve en ingoede Grietje haar geheugen begon te verliezen, besefte ik wel meteen dat er geen omkeer mogelijk was en dat we in een heel nieuwe fase van onze relatie waren aangeland. Maar wat het zou betekenen, ik had er geen flauw idee van. Wel besloot ik dat ik zou proberen zo lang mogelijk thuis voor haar te blijven zorgen. Dank zij mijn kinderen en kleinkinderen ben ik daarin geslaagd. Enkele maanden voor de dood van mijn vrouw vierden we ons diamanten huwelijksfeest. Toen we zestig jaar daarvoor trouwden, kozen we onvoorwaardelijk voor elkaar en we hebben die keuze nooit betreurd. Grietjes dementie betekende paradoxaal tegelijk een langdurig afscheid van en een even langdurige toenadering tot elkaar.
(...)
Een kinderhand is gauw gevuld, maar waren er dan helemaal geen woorden meer tussen jullie?
Toch wel. Grietje kon uitstekend in enkele woorden haar genoegen en ongenoegen – en het was meestal genoegen – blijven uitdrukken. Maar er was meer. Vaak maakte zij, zoals veel demente mensen, zeer treffende, kostelijke en humoristische opmerkingen. Een uit vele voorbeelden. Toen een nieuwe mannelijke thuishulp voor het eerst verscheen en ik een kop koffie voor hem haalde hoorde ik haar tegen hem zeggen: ‘Ja, dat is mijn zwager.’ Ik: ‘Ik ben je zwager niet.’ Zij: ‘Dan ben je mijn vader.’ Ik weer: ‘Ik ben ook je vader niet, ik ben je verzorger, je chauffeur, je kok, je telefonist én je man.’ En zij, triomfantelijk en in onverwachte stadhuistermen, tegen de thuishulp: ‘Zie je wel, ik wist wel dat ik een bijzondere connectie met hem had.’ Het eigenwijze meisje moest toch gelijk hebben.
Ik vond het vreselijk dat mijn vrouw haar geheugen kwijt was, maar ik moest vaak erg lachen om de wijze waarop zij zich redde uit ongerijmdheden. En zij had dan van de weeromstuit pret. In die moeilijke jaren leerde ik hoe belangrijk humor bij dementie is.
Gerard van den Boomen, ‘Een zware, gelukkige tijd – Ruim een dozijn jaar mantelzorg’
Naar Boven
God als barmhartige moeder en vader
Het is gebruikelijk om
God als vader aan te duiden. Jezus gaat ons daarin voor, in het gebed
dat Hij zijn volgelingen leerde. En juist Psalm 103 die vol is van de
lof op Gods barmhartigheid (vers 4 en 8) koppelt dat aan het beeld van
God die zich als een vader ontfermt over zijn kinderen (vers 13). In
het Hebreeuws zijn de woorden die wij vertalen met
‘barmhartigheid’ en ‘ontfermen’ ontleend aan dezelfde stam. De
profeet die de Joodse ballingen in Babylon moed inspreekt, gebruikt
het werkwoord om er het moedergevoel van God voor zijn volk mee te
beschrijven (Jesaja 49:14-15a). Hij heeft al zijn overtuigingskracht
nodig om zijn wanhopige volksgenoten weer enig vertrouwen in hun God
te geven. Het leek er immers op dat Hij het had afgelegd tegen de
machtige goden van de Babyloniërs en de relatie met het volk van
Abraham, Izaäk en Jakob had verbroken. De profeet zoekt naar een
nieuwe invulling van de oude woorden. Er lijkt hem een licht op te
zijn gegaan toen hij nadacht over de diepere betekenis van het woord
‘barmhartigheid’. In het Hebreeuws is dit nauw verwant aan het
woord voor moederschoot. Zo komt hij tot deze verrassend nieuwe en
overtuigende beeldspraak. In hoofdstuk 40 van het boek Jesaja roept
God de profeet op om zijn volk, dat in ballingschap vertoeft, te
troosten. In het laatste hoofdstuk richt God zich zelf als een
troostende moeder tot zijn volk:
zo zegt JHWH:
Zie, Ik doe haar de vrede toestromen als een
rivier
en de heerlijkheid van de volken als een
overvolle beek;
dan zult u zuigen, u zult op de heup gedragen
en op de knieën gekoesterd worden.
Zoals iemands moeder hem troost,
zo zal Ik u troosten,
ja, in Jeruzalem zult u getroost worden. (Jesaja
66:12-13)
Zo is in de situatie van
de ballingschap met al zijn verdriet en bange vragen pas echt goed
duidelijk geworden wat het betekent dat God barmhartig is. Het gaat om
de hechte relatie met zijn volk door dik en dun. Het is meer dan goede
wil. Het is ten diepste iets van Hem zelf. Zonder barmhartigheid is
God zichzelf niet.
Klaas Spronk, ‘Een schoot van ontferming is
onze God’: de barmhartige God van de Bijbel
Naar Boven
Met ziel…
Een verpleegkundige zegt: ‘Als ik inhoudelijk niet mijn ziel en zaligheid in mijn werk kon leggen, dat had ik dit niet vol kunnen houden. Je moet het doen omdat het uit je hart en je ziel komt, maar verwacht niks terug.’ Hier valt een belangrijk woord: ziel. Het betekent dat de zorgverlener met een ontzaglijke gevoeligheid de evenmens die ziek is, tegemoet treedt. Het oog van de ziel ziet de ander, in zijn eigenheid, is eerbiedig, kan zich verplaatsen in de ander, weet van verantwoordelijkheid. De ziel is de schotelantenne van de zorg, de gevoelige plaat waarop de bezieling zich aftekent: ‘De bezieling zit in de manier waarop ze (de werkers in de zorg – KW) er voor anderen proberen te zijn (…) Helaas heeft de vaktechnische, professionele zorgtaal van tegenwoordig geen categorieën meer voor deze zo wezenlijke dimensie van de zorgbezieling. Daardoor verschraalt en “ontzielt” de beroepsuitoefening, ook in de beleving van de werkers zelf.’
Het belangrijkste is wellicht dat de ‘ziel’ van de werkers in de zorg de ‘ziel’ van de zieke ziet. De ziel zíet de ander ‘als eerbiedwaardig, als onaantastbaar’, wat blijkt uit ‘een praxis waarin de eerbied concreet gestalte krijgt.’ Terecht ziet Herman De Dijn dit als de kern van de kwaliteitszorg: ‘De herontdekking van de ziel impliceert een andere visie op de kwaliteit. Daarom moet kwaliteitszorg meer zijn dan de zo geprezen “totale (of integrale) kwaliteitszorg”. Echte kwaliteit kan alleen worden bereikt in overgave aan datgene waarom het gaat.’ En dat is de ziél van de zorg, juist ook waar het gaat om het zo kwetsbare lijf van de ander, want zoals Wittgenstein zo treffend zegt: ‘Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel.’
…en zaligheid
Ziel is de speelruimte voor God. Hier wordt de twijfel aan Hem ervaren, en mijn vermoeden van Hem. Hier klinken de woorden van Jean-Jacques Suurmond, worstelend met de kanker in zijn lijf, helemaal in handen van de zorg: ‘Dagelijks lag ik in mijn eentje halfnaakt onder de klikkende en zoemende apparaten. Ik werd onvrijwillig de stilte en een kaal landschap ingestuurd, die vervolgens gingen bloeien van God. Een God waarop ik geen enkele greep heb.’ De ziel als stille ruimte, hypergevoelig voor de geringste beweging van het Geheim. Stil huilend om het niet weten. Bloeiend van God die woestijn is. Zaligheid die zich onttrekt aan mij, in een oneindige verte. ‘Ik wil de ziel opvatten als het vermogen dat ons sensitief maakt voor de relatie met God. Via onze zintuigen kunnen wij tot op zekere hoogte waarnemen wat in de tijd en de ruimte gebeurt. De ziel is het vermogen om in contact te komen met God, ofwel: met wat de tijd te boven gaat en met wat de ruimte overstijgt,’ zegt Tjeu van Knippenberg. Deze ziel is broodnodig in de zorg. Maar we moeten goed beseffen: deze ziel heeft zelf ook zorg nodig, zielzorg.
Kees Waaijman, ‘Spiritualiteit in het zorgen± De ziel van de zorg’
Naar Boven